לפני זמן רב, במקום שבו הערבים התקררו במהירות והאבנים עצרו את חום היום, חי ילד יהודי בשם יואכים ברנדשטיין. יואכים לא היה אמיץ בקול רם. הוא לא צעק ולא רץ לעבר סכנה. הוא היה אמיץ בשקט, כמו ילדים כשהם שואלים שאלות שמבוגרים הפסיקו לשאול.
סבתו של יואכים נהגה לומר לו, “יהודי אף פעם לא באמת לבד, כי הוא נושא את עמו.” יואכים לא הבין זאת לגמרי, אבל הוא אהב איך זה נשמע.
אחר צהריים אחד, יואכים שוטט רחוק יותר ממה שהיה צריך. הוא הלך בשביל ישן שבו עצי תאנה נשענו על קירות שבורים. בקצה השביל עמד בית שכולם אמרו שהוא ריק. לא הרוס, רק… מחכה. הדלת הייתה עקומה, והמזוזה נעלמה, אבל עדיין אפשר היה לראות היכן היא הייתה פעם.
יואכים עצר שם. הוא לא נכנס מיד. הוא נגע במשקוף הדלת, כפי שראה מבוגרים עושים, ולחש את קריאת שמע, כי זו הייתה התפילה היחידה שידע בעל פה.
בפנים, הבית היה שקט. אבק שכב סמיך, אבל החלונות הכניסו אור, והאוויר הרגיש רגוע. יואכים דמיין שולחן שעמד שם פעם, נרות דולקים בליל שישי, קולות מתווכחים בעדינות על שום דבר חשוב. הוא לא הרגיש פחד, רק אחריות.
הוא נשאר.
לא בגלל שהבית היה שלו, אלא בגלל שמישהו היה צריך לזכור שהוא יכול להיות שוב בית.
באותו לילה, יואכים הניח שתי אבנים קטנות על אדן החלון, כפי שיהודים מניחים אבנים על קברים – לא למוות, אלא לזיכרון. הוא ישן על הרצפה וחלם על אבותיו עומדים מאחוריו, לא מדברים, רק צופים, יציבים וסבלניים.
בבוקר, יואכים עזב את הבית כפי שמצא אותו, מלבד דבר אחד: הוא כבר לא נשכח.
שנים לאחר מכן, כשיוחים היה בוגר והעולם הרגיש חד ורועש יותר, הוא היה חושב על הבית הזה. הוא היה זוכר שלפעמים היה להיות יהודי בדיוק זה: להיכנס למקומות שההיסטוריה הסתבכה, לסרב לשנוא, לסרב לשכוח, ולבחור להישאר אנושי.
ובאיזשהו מקום, איכשהו, הבית זכר גם אותו.

Roelof ken je de mop van de mummie?
Ik hou zo erg van comments achterlaten.
VOORWOORD
Op de 1ste april van het jaar 1924, werd ik, ten gevolge
van het vonnis dat het Münchense rechtbank dezelfde
dag over mij velde, te Landsberg a/d Lech opgesloten,
teneinde mijn gevangenisstraf te ondergaan. Hierdoor kreeg ik,
na jaren van onafgebroken activiteit voor het eerst de tijd, om
mij te wijden aan een werk, dat velen van mij hadden geëist, en
dat mijzelf ook nuttig scheen voor de beweging. Daarom heb ik
besloten, om in twee delen niet alleen de idealen van onze
beweging uiteen te zetten, maar ook een beeld te geven van haar
ontwikkeling, omdat daaruit meer te leren zal zijn, dan uit enige
doctrinaire beschouwing zonder meer.
Daarbij had ik tevens de gelegenheid, een schets van mijn eigen
levensloop te geven, voorzover dit dienstig kan zijn voor het
beter begrijpen van het eerste en het tweede deel, en voorzover
dit de vele hatelijke sagen en legenden, welke de Joodse pers om
mijn persoon heeft geweven, tot hun ware proporties terug kan
brengen.
Ik wend mij met dit werk niet tot de buitenstaander, maar tot
die aanhangers van de beweging, die haar werkelijk met hart en
ziel zijn toegedaan, en wier verstand vraagt om een diepgaander
voorlichting.
Ik weet zeer goed, dat men de mensen veel eerder door het
gesproken woord, dan door het geschrevene kan overhalen, en
dat iedere grote beweging op aarde haar groei aan haar grote
redenaars en niet aan haar grote schrijvers te danken heeft.
Maar toch is het noodzakelijk, dat de beginselen van een leer
voor altijd worden vastgelegd, om te maken, dat zij overal op
gelijke en uniforme wijze wordt gepredikt. Daarom is het mijn
wens, dat deze beide delen als bouwstenen mogen dienen voor
ons gemeenschappelijk bouwwerk.
Strafgevangenis
Landsberg a/d Lech DE SCHRIJVER
Op de 9de november 1923, om 12 uur 30 in de namiddag,
vielen voor de Feldherrnhalle, en op de binnenplaats van het
voormalige ministerie van Oorlog te München, de volgende
mannen, bezield met het vaste geloof in de wedergeboorte van
ons volk:
ALFARTH, FELIX, koopman, geboren 5 Juli 1901
BAURIEDL, ANDREAS, hoedenmaker, geb. 4 Mei 1879
CASELLA, THEODOR, bankemployé, geb. 8 Aug. 1900
EHRLICH, WILHELM, bankemployé, geb. 19 Aug. 1894
FAUST, MARTIN, bankemployé, geb. 27 Jan. 1901
HECHENBERGER, ANT., slotenmaker, geb. 28 Sept. 1902
KÖRNER, OSKAR, koopman, geb. 4 Jan. 1875
KUHN, KARL, oberkellner, geb. 26 Jul 1897
LAFORCE, KARL, stud. ing., geb. 28 Oktober 1904
NEUBAUER, KURT, bediende, geb. 27 Maart 1899
PAPE, CLAUS VON, koopman, geb. 16 Aug. 1904
PFORDTEN, THEODOR VON DER, raadsheer bij het
hoogste Landesgericht, geb. 14 Mei 1873
RICKMERS, JOHANN, ritmeester b.d., geb. 7 Mei 1881
SCHEUBNER-RICHTER, MAX ERWIN VON, Dr. ing., geb.
9 Jan. 1884
STRANSKY, LORENZ, Ridder von, ingenieur, geb. 14 Maart
1899
WOLF, WILHELM, koopman, geb. 19 Oktober 1898
Zich nationaal noemende autoriteiten weigerden aan de dode
helden een gemeenschappelijk graf. Daarom draag ik het
eerste deel van dit werk aan hen allen op, omdat hun bloed
getuigt voor de waarachtigheid van onze idealen. Mogen zij
de aanhangers van onze beweging steeds tot lichtend
voorbeeld strekken.
Landsberg a/d Lech, Strafgevangenis, 16 oktober 1924
ADOLF HITLER
EERSTE DEEL
EEN AFREKENING
1
EERSTE HOOFDSTUK
IN HET OUDERLIJK HUIS
Nu beschouw ik het als een gelukkige schikking van het
lot, dat het mij juist Braunau aan de Inn als
geboorteplaats aanwees. Dit stadje is immers juist
gelegen op de grens van die twee Duitse staten, die vooral
volgens ons, jongeren, weer tot één geheel moeten worden
verenigd. Duits-Oostenrijk moet weer terug naar het grote
Duitse moederland, en dat niet op grond van de een of andere
economische overweging. Nee, ook zelfs indien de hereniging,
economisch gezien, geen baten zou afwerpen, zelfs indien zij
nadelig zou zijn, moest zij toch plaatsvinden.
Eender bloed behoort thuis in één rijk. Het Duitse volk kan geen
aanspraken op koloniaal politiek gebied doen gelden, zolang het
niet bij machte is, zijn eigen zonen binnen één staatsverband te
brengen. Pas wanneer de rijksgrens ook de laatste Duitser
omsluit, en het Rijk niet meer de zekerheid heeft, allen te
kunnen voeden, pas dan ontstaat uit de nood van het eigen volk
het morele recht tot verwerving van vreemde grond. Dan wordt
het zwaard tot ploeg en uit de tranen van de oorlog groeit voor
de nakomelingen het dagelijks brood. zo schijnt mij dit kleine
grensstadje het symbool van een grote levenstaak te zijn. Maar
ook nog in een ander opzicht staat het als een stenen
waarschuwing in onze tijd. Het is meer dan honderd jaar
geleden, dat dit onaanzienlijke nest het toneel was van een
2
tragische gebeurtenis, waarmee het leven van de hele Duitse
natie gemoeid was, en die maakte, dat het in de annalen van de
Duitse geschiedenis werd vereeuwigd. In de tijd van de diepste
vernedering van ons vaderland, stierf daar voor zijn land, dat
hij ook toen, juist toen, met zijn hele hart liefhad, de
Neurenberger Johannes Palm, particulier boekhandelaar,
overtuigd nationalist en vijand van de Fransen. Hardnekkig had
hij geweigerd, de mede- of liever de hoofdschuldigen te noemen.
Dus evenals Leo Schlageter. Hij werd dan ook gelijk deze door
een regeringsvertegenwoordiger bij de Fransen aangebracht.
Een directeur van de Augsburgse politie verwierf deze treurige
roem en gaf aldus het voorbeeld aan de Duitse ambtenaren van
onze tijd in het rijk van de heer Severing. In dit stadje aan de
Inn, dat door het offer van deze Duitse martelaar een aureool
zal blijven dragen, dat Beiers is naar het bloed, maar
staatkundig Oostenrijks, woonden in de tachtiger jaren van de
vorige eeuw mijn ouders; mijn vader was een plichtsgetrouw
rijksambtenaar, mijn moeder ging op in haar huishouden en gaf
zich vooral aan ons kinderen met altijd eendere liefde en zorg.
Uit deze tijd is mij maar weinig bijgebleven, want al na verloop
van enkele jaren moest mijn vader het hem lief geworden
grensstadje weer verlaten, om te Passu, dat aan de monding van
de Inn, dus in Duitsland zelf, gelegen is, een nieuwe standplaats
te gaan innemen. Maar het lot van een Oostenrijkse douanier
betekende destijds „vaak verhuizen”. Al na korte tijd moest
mijn vader naar Linz en werd tenslotte daar ook gepensioneerd.
„Rust” zou dit voor de oude heer evenwel niet betekenen.
Vroeger, als zoon van een arme pachter had hij het thuis al niet
kunnen uithouden. Als kleine jongen van nog geen dertien jaar
had hij zijn rugzak gepakt en was uit het bosland, zijn
geboortestreek, weggelopen. Tegen de raad van ervaren
dorpsgenoten in, was hij naar Wenen getogen, om daar een
ambacht te leren. Dat was in de vijftiger jaren van de vorige
3
eeuw geweest. Een moeilijk besluit, om met drie gulden op zak
de wijde wereld in te trekken, een onzekere toekomst tegemoet.
Toen de dertienjarige echter zeventien jaar geworden was, had
hij zijn gezellenproefstuk met goed gevolg afgelegd, maar de
verwachte voldoening had het hem niet geschonken. Eerder het
tegendeel. Doordat zijn nood, zijn kommer en ellende destijds
zo vreselijk lang duurde, kwam hij tot het besluit, om zijn
ambacht nu toch maar weer op te geven en „iets hogers” te
worden. En zoals vroeger in het dorp meneer pastoor voor de
arme jongen de verpersoonlijking was van het hoogste, wat een
mens maar kan bereiken, zo zag hij thans, nu zijn gezichtskring
door het verblijf in de grote stad zo veel wijder was geworden,
de waardigheid van rijksambtenaar in dit licht.
Deze zeventienjarige, die, half nog een kind, door nood en
ontbering, al „oud” was geworden, wierp zich met al zijn
energie en taaiheid op deze nieuwe zelfopgelegde taak, en. . .
werd ambtenaar. Na bijna drie en twintig jaar, naar ik meen,
was het doel bereikt. Nu scheen ook de gelofte vervuld, die de
arme jongen eens aan zichzelf had gedaan, om niet eerder in het
geliefde geboortedorp terug te keren, voor hij iets zou zijn
geworden. Nu was het doel bereikt; maar in het dorp wist
niemand zich de vroegere kleine jongen meer te herinneren, en
hemzelf was dit dorp vreemd geworden. Toen hij eindelijk op
zesenvijftig jarige leeftijd gepensioneerd werd, zou hij toch van
zijn rust als „leegloper” geen dag hebben kunnen genieten. Hij
kocht nabij het Oostenrijkse gehucht Ambacht een stuk grond,
bebouwde dat, en keerde aldus, in de kringloop van een lang,
werkzaam leven, weer terug tot de oorsprong van zijn geslacht.
In deze tijd kwamen waarschijnlijk ook in mij al de eerste
idealen op. Het vele rondzwerven in de vrije natuur, de lange
weg naar school, en ook de omgang met uiterst ruwe jongens,
iets wat vooral mijn moeder vaak met grote zorg vervulde,
maakten, dat ik allesbehalve een huismus werd. En al dacht ik
4
destijds ook nauwelijks een ogenblik ernstig na over mijn
toekomstig beroep, toch stond een ding vast: dat ik me zeer
zeker niet tot de levensloop van mijn vader voelde
aangetrokken. Ik geloof, dat al in die tijd mijn redenaarstalent
zich ontwikkelde, wat tot uiting kwam in meer of minder heftige
woordenwisselingen met mijn kameraden. Ik was een kleine
belhamel geworden, die op school gemakkelijk en ook zeer goed
leerde, maar overigens tamelijk moeilijk te behandelen was.
Daar ik in mijn vrije tijd zangles kreeg in het Coorheeren
klooster te Lambach, had ik volop gelegenheid, de bedwelming
van de buitengewone feestelijke pracht en praal van kerkelijke
plechtigheden te ondergaan. Wat was natuurlijker, dan dat ik nu
de heer abt beschouwde als een man, die het hoogste ideaal
bereikt had, evenals indertijd mijn vader tegen de kleine
dorpspastoor had opgezien. Een tijdlang tenminste was dat het
geval. Aangezien mijn vader echter bij zijn vechtlustige jongen
om begrijpelijke redenen de redenaarstalenten niet zodanig kon
waarderen, dat hij daaruit enige hoopvolle gevolgtrekkingen
kon maken voor de toekomst van zijn spruit, nam hij die
jongensplannen ook niet ernstig op. Waarschijnlijk baarde dit
dualisme van de natuur hem zorg. Inderdaad verdween dan ook
het verlangen naar dit beroep vrij snel, om plaats te maken voor
verwachtingen, die met mijn temperament beter
overeenkwamen.
Bij het doorsnuffelen van mijn vaders bibliotheek had ik
verscheidene boeken over militaire onderwerpen gevonden,
waaronder een volksuitgave over de Frans-Duitse oorlog van
1870-71. Het waren twee ingebonden jaargangen van een
geïllustreerd tijdschrift uit die jaren en die werden nu mijn
lievelingslectuur. Het duurde niet lang, of deze titanenstrijd was
als het ware een stuk van mijzelf geworden. Van nu af aan
dweepte ik hoe langer hoe meer met alles, wat op de een of
andere manier samenhing met
Glory to the beautiful country of Isreal